I
De verbanning
Hoe brandt Moskou zijn blauwe en gouden pracht Onder de heemlen schoner goud en blauw Dagen lang en zijn schitter mindert nauw In helle scheemring van de zomernacht.
Maar wee, die pracht verdoofde toen ik daalde Van angst en afschuw klam, diep in een hel:
Zwarte carcers, vochtige dompe cel Waar dag tot schuwe schemering vervaalde.
Waar ’t licht zich schaamt over de schouwe schande Die beter in duister zijn doem voldingt,
Die Schoonheid schendt en Trots tot knechtschap dwingt, De Jeugd ketent aan voeten en aan handen.
Mij liefst van allen, Georges, gij, zó dapper,
Zo trouw, zo trots, in ’t kloek-gewaagd bedrijf Om vrijheid, maar gekooid vervalt uw lijf,
Dooft uw oog, wordt uw stoute weerstand slapper.
Ach: wat baat u vreugd om mijn komst bij ’t leed,
Dat daarna weer gruwbaar u grijpt in ’t hart?
Wat baat mijn zoet geschenk bij smaad en smart,
Die nacht en dag aan uw lief leven vreet?
Makker: wij scheidden. Uit uw wrede kerker Steeg ik mijn weg naar zon en zomerlicht,
En keerde naar Holland: in rust noch plicht Vergat ik u, stout strever, eerlijk werker.
Winter: mijn hart, nog niet geheeld van wonden Slaat wreder wond in zijn wond dit bericht:
‘Georges Dmitrenko werd rechtloos gericht En naar het land der Yakoeten gezonden.’
129