heb te St. Petersburg een zeer onaangenaam onderhoud gehad met staatsraad Von Boetticher, de onderchef van de Algemene Gevangenisadministratie. Hij verweet mij blind te zijn geweest voor het goede in de Russische gevangenissen. Dat is niet waar: ik heb de gebouwen geprezen, de cellen, de bibliotheken en meer. Hij verweet mij, dat ik opzettelijk en tegen beter weten in de kinderkoloniën en prioeten heb geprezen, ten einde met meer schijn van recht opzettelijk en tegen beter weten in de gevangenissen te kunnen laken. Dat is niet waar. Ik heb opzettelijk en tegen beter weten in niets geschreven. De heer Von Boetticher verweet mij, dat ik de gevangenen voortdurend heb geloofd, zijn ambtenaren daarentegen voortdurend niet. Wat wonder! Stelselmatig ben ik door de ambtenaren bedrogen. Ik heb daarvan vroeger reeds verschillende gevallen genoemd. Thans nog dit: in een van de gevangenissen heb ik, natuurlijk met verlof van de betrokken autoriteiten, aan een zieke gevangene iets gegeven. Later hoor ik, dat men hem dit na mijn vertrek dadelijk afgenomen heeft. De grote moeilijkheid is het bewijs. Want men kan zijn zegslieden meestal niet noemen, en ten slotte is het een punt van geloven of van niet-geloven. Intussen is het de eigen schuld van de Russische regering wanneer men haar niet gelooft. Bijvoorbeeld: de regering vermeldt, dat zich te Schlüsselburg op zekere dag vier zieken in het gevangenishospitaal bevonden (Démenti 13). Talrijke personen verzekeren mij, dat dit getal veel en veel te laag is. Ik vraag de heer Von Boetticher verlof naar Schlüsselburg te gaan. Nee, zegt de heer Von Boetticher, dat kan niet, want ik heb tegen de regering geschreven.
Natuurlijk, dat mijn artikelen niet een parafrase zijn van de officiële geschriften van de Russische regering. Ik heb de feiten beschreven zoals ik meende, naar mijn beste weten, dat zij waren. Maar de Russische regering zal toch moeten begrijpen, dat de politieke gevangenen voor ons geen misdadigers zijn; maar krijgsgevangenen. Dat iemand een vijand is van de Russische regering, is voor ons geen reden hem te waarderen, maar ook niet een reden hem niet te waarderen. Er zijn op het ogenblik zestigduizend administratief gevangenen en verbannenen. Zij
124