Ik hield ontroerd uw handen in mijn handen, Mijn hart verstond blik, en gebaar en taal,
Gij spraakt (en stil werd ieder op uw zaal)
Van der geknechten leed een wrede schande,
Dit was uw woord: ‘Gij zijt nog vrij, mijn makker, Uw sterke stem bindt een talrijk gehoor,
Spreek wat wij lijden, nacht en dagen door,
Roep het geweten van Europa wakker.
Frankrijk met zijn opstandig-sterk verleden, Engeland met zijn trots gevoel van recht,
Laten ons hier in ketenen geknecht,
Onder voeten van ruw geweld vertreden.
In Orel, Pskov, in Tobolsk en Sarâtov Loeren de kerkers wreder dan een hel Daar kwijnt gekweld, dof in zijn donkre cel Wie tartend onrecht en hatende wraak trof
Wij slaven daags, die ’s nachts op planken slapen, Wreder dan straf dreigt ons hooploze ban,
Zij breken hier de kracht van ieder man,
Zij vernedren vrouwen, zij kwetsen knapen.
O, wees de stem van onze stem, gij makker Die vrij de wegen van uw wensen meet,
Zinge luid uw lied ons hartbrekend leed,
Roepe uw lied Europa’s geweten wakker.’
Dit was uw woord. Mijn Daad? O, kon ik breken Met mijn handen der muren barre ban.
Mijn hand is zwak. Mijn lied tart sterk. Ik kan Met hatend woord uw bitter onrecht wreken.
De stem van uw stem moge ik zijn, uw klagen Vinde in de maten van mijn lied gehoor.
Ik zweer: ‘zij marden machtlozen al door,
Die recht vragen worden ter neer geslagen.’
113