overplaatsingen weten de gevangenen goed wat in andere gevangenissen gebeurt. Orel en Sarâtov zijn boven alle beschrijving schrikkelijk. Daar slaat men de mensen moedwillig tot zij sterven.’
Inderdaad: ik heb in andere gevangenissen talrijke gevangenen uit Orel en Sarâtov gesproken: het is daar onmenselijk. De heer Minor machtigde mij zijn naam te noemen. Hij zei: ‘De inspecteur heeft mij geroepen om met u te spreken, de waarheid, niet meer, niet minder. En ik zeg de waarheid. Dat is een zaak van mijn geweten. Willen ze mij daarom straffen en mishandelen, dan is dat een zaak van hun geweten.’ Het volgend jaar bestaat de dynastie van de Romanovs driehonderd jaar en zal een grote amnestie worden afgekondigd. Waarom zullen de politieken daarvan uitgesloten zijn, gelijk men mij zei? Terwijl de heer Minor sprak was het doodstil in de grote zaal. Enkelen, die Frans of Duits verstonden, luisterden stipt. Anderen zwegen. Soms een enkel woord van een gevangene, die iets vertaalde of van de tolk. En de woorden Orel en Sarâtov verstond een ieder. Dit is wat de heer Minor woordelijk zei: ‘U bent vrij, u kunt spreken, u kunt schrijven. In Orel en in Sarâtov en in zoveel andere steden zijn duizenden, die lijden en gekweld worden. Zeg dat. Ieder volk moet zelf het leed dragen, dat zijn groei meebrengt. Maar boven het nationale volksgevoel gaat het gevoel van menselijkheid en wat in Orel en in Sarâtov gebeurt dat is boven iedere beschrijving en verbeelding onmenselijk. Men heeft mij gevraagd u de waarheid te zeggen: dit is de waarheid.’
Toen de heer Minor zweeg kwam er ontspanning in de grote groep gevangenen, die roerloos geluisterd hadden. De tolk sprak druk met de commandant en de inspecteur. Ik zei, dat ik nog wat alleen met de heer Minor wilde spreken. Hij gaf mij het adres van zijn vrouw en zijn kinderen en ik beloofde daarheen te gaan in Parijs. Hij gaf mij ook adressen van vrienden en bekenden in Rusland en daarbuiten en ik beloofde hun te schrijven. Wederkerig gaf ik hem een aandenken en ik schreef daarop woorden, die Ernest Dowson boven één van zijn gedichten schreef: ‘Dum nos fata sinunt oculos satiemus amore.’ De vol
111