tieke gevangenen, doet er niet toe. De heer Minor heb ik zaterdag en zondag bezocht. Het Notice had ik uit. En het Démenti precies gelezen tot aan de nieuwe alinea waar de schrijver over de heer Minor begint. Zondagavond las ik verder. Mijn gevoel bij het ontdekken van die toevalligheid was een angstgevoel; ik heb datzelfde gevoel nog eens gehad, jaren geleden, toen ik twee willekeurige getallen opschreef, een van vier en een van zes cijfers en toen het kleinste getal zonder overschot in het grote deelbaar bleek. Maandag, de dag bestemd voor een bezoek aan het Roukavichnikov-asiel, legde ik het geval voor aan mijn geleider, de heer Tichomirov, adjunct-inspecteur van de gevangenissen in het gouvernement van Moskou. Ik zag er zéér tegen op de heer Minor ten derden male te ontmoeten. Wij hadden zondags afscheid genomen. Intussen verklaarde ik mij bereid te gaan, wanneer de heer Tichomirov het wenste. De heer Tichomirov scheen mij niet te vertrouwen of niet geheel gerust te zijn op de verklaringen van de heer Minor. Ik wees hem er op, dat hij de kans voorbij liet gaan een geloofwaardige bevestiging te krijgen van het officiële Démenti, dat ik de zaak aan hem overliet, en zelf zéér tegen een derde bezoek aan de heer Minor opzag. De heer Tichomirov vroeg mij door de tolk, want hij spreekt en verstaat alleen Russisch, wat ik zonder verder onderzoek van plan was te publiceren. En ik: dat ik de heer Minor twee maal heb gesproken, dat hij mij over zijn leven in Sarâtov heeft gesproken en daarbij niets heeft gezegd over hetgeen de Radical zou hebben verteld. De heer Tichomirov verkoos het gewisse voor het ongewisse en ik ging niet. Intussen: laat ik het geval voor de regering zo gunstig mogelijk stellen en aannemen, dat de Radical verkeerd is ingelicht en dat men niet de heer Joseph Minor naakt heeft uitgekleed buiten in een kou van twintig graden vorst. Wat men beslist wel heeft gedaan is waarlijk niet minder erg. Men heeft de heer Minor te Sarâtov twaalf maal in één jaar gestraft met een week carcer, voor niets, voor kleinigheden als een poetsvlekje op zijn kopergoed, dat hij trouwens, bijziend zijnde, niet kon zien. Wat carcer is voor iemand als de heer Minor behoef ik niet te zeggen. Verschillende malen
106