had, dan zou ik bij de mensen van de bank zien, wat ik voor hem kon doen. Toen begon hij te jammeren en te smeken, dat hij zijn laatste geld er voor over had, en dat hij al zijns levens dagen als een slaaf voor die bank werken wou, om maar uit de gevangenis te blijven, en al zo meer van dat moois. Ik dacht: die man is buitengewoon dom, of hij is buitengewoon slim, dat is mij alletwee even sympathiek. En toen zeide ik vriendelijk genoeg: "Maar mijnheer, uw zaak is zo eenvoudig als: twee maal twee is vier, wat trouwens niet waar is... werkelijk, als ik u was, dan nam ik er nog zoveel geld bij, als ik maar nemen kon, en ik probeerde weg te komen... dat is de beste raad, die ik u geven kan... en anders weet ik niets voor u."
Nee, zei die man, die of buitengewoon dom of buitengewoon slim was, dat deed hij vast niet, en hij begreep niet, hoe een rechtskundige hem zoiets aanraden kon. Dat vorige geld, dat had hij uit de kas genomen, altijd om gaten te stoppen... en met hoop, dat hij alles ineens teruggeven kon, als de grote slag goed uitviel... dan had de bank geen dollarcent schade gehad... hij had klap op klap gehad... en hij zag 't wel, hij zat er in... daar hielp nu niets meer aan... hij gaf het op... en nu hij er ineens over dacht, begreep hij niet meer, wat hij eigenlijk bij mij was komen doen. "Nee, mijnheer Van Neerrijnen", zei die bijzondere man toen enigszins scherp: "voor wat ik gedaan heb daar zal ik voor boeten, maar moedwillig nu nog zoveel te stelen, als ik maar beetkrijgen kan,
95