bevuild genoeg zijn. En wellicht kon hij die twee verschrikkelijke diamanten dan voor mij inkopen.
In de witte, met sneeuw verlichte nacht, terwijl ik immers een verfijnde en breekbare toestand beleefde, kreeg het hulpeloze verlangen naar die dure diamanten mij beet, zodat schaduw van smart krampachtig mijn ogen verduisterde. Van Neerrijnen zag het verschrikkelijk, entoenzeidehij: 'Maar mijnjon-gen, wat gebeurt er met je ogen?'
Ik antwoordde, dat die felle verandering voorviel, omdat ik aan de diamanten dacht van Parijs, en die gedachte havende mij, hulpeloos en hopeloos. Daarna ging ik naar mijn eigen woning, en ik liep nietig over de sneeuwen pleinen, terwijl de nacht hoog en vastgebouwd boven de stad stilstond.
3
Na enige tijd was Bertho Robbers, dat was een onzer beste bekenden, jarig. En die had daarom voor een ganse vriendenkring, een zeer ruime feestavond om uit te vieren, aangericht. Met de mannen, die daar en toen aanwezig waren, was Nico tot op onze tijd steeds in goede stemming geweest, maar doordat ik in zijn leven opkwam, had hij de anderen losgelaten. Zij waren hem daardoor niet ongenegen, doch zij waren mij daardoor wel ongenegen, en hun ongenegenheid uitte zich telkens in fijne nochtans wondende woorden, die soms scholden. Nadat ik binnenge
9i