kreeg ik, dadelijk volkomen en vast, de begeerte hen samen te laten vatten in een stuk louter goud, en ze dan vóór op mijn witte muts te dragen, zoals een vorst van Perzië een waterwitte diamant droeg op een zwarte en fijngekroesde muts, toen ik hem voor vele jaren intocht zag houden met rijtuigen en ruiters, hóóg langs de Dam te Zaandam.
2
De begeerte naar die twee zéér sierlijke diamanten martelde mij zonder veel rust. Ik had het dadelijk voor onmogelijk verklaard, dat ik ze aankopen kon, want wij hadden daarvoor geen geld genoeg; men vroeg mij voor die twee edele stenen rondom negenduizend gulden. Dus ik leed onder onze armoede met gevoel, alsof ik doorlopend, zonder uitstel, lichamelijk zieker werd gemaakt. Daarna wilde ik niets meer aannemen van hetgeen Parijs ons aan weelde en schat geven kon.
Vloekend, verwilderd, als een krankzinnige fijne polderjongen, eiste ik van Nico een snelle terugreis naar Holland. Stil en gewillig voldeed hij toen aan mijn bar verlangen. Hij troostte mij dóór en dóór met sterke stem. Ook deed hij voor mij de belofte, dat hij zuinig genoeg leven zou en alle geldgevende rechtszaken aanvaarden, waartoe zijn helder, maar berucht, rechtskundig verstand gelegenheid zag, zonder gevaar. Niettemin konden die rechtszaken
90