over een blauwe en een rode diamant
Het was winter, met veel sneeuw en vaste vorst, die de sneeuw van de pleinen en van de straten van de stad lang goed hield, zonder verderf. Vóór het naar huis gaan, bij meester Van Neerrijnen vandaan, bekeek ik de witte nacht. Het was laat, want ik was lange tijd bij Nico gebleven, want wij hadden gesproken over onze samenleving en over ons geluk, alsof wij daarvan iets geloofden. Maar nu moest ik wel gaan, omdat ik niet langer in onze verfijnde, breekbare toestand blijven durfde.
Van Neerrijnen bracht me mijn kledingstukken voor de winter, en daarbij was een fïjngevormde muts van wit bont, dat zo mooi was, alsof het wel leefde. Het bont was alleen zo mooi, wanneer de bonten dieren gedood werden in de witte nachten van hun liefde, en omdat ik zoiets wist, droeg ik die muts altijd met zeer veel genoegen.
Maar, toen Nico van Neerrijnen en ik de laatste tijd te Parijs waren geweest, was mij het fijne genoegen van de bonten muts zo ongeveer bedorven door twee diamanten, één in het rood en één in het blauw, die ik in een winkel van juwelen in de Rue de Rivoli had gezien. Zodra ik die twee diamanten had gezien,
89