3
John had op een toon uitgesproken alsof hij nu antwoorden van mij verwachtte, maar ik zweeg breekbaar van ontroering, zodat hij verder sprak, snel, driftig, fel:
'Soms maakt het mij wanhopig dat hij hier is... want ik hou van hem... het doet er niet toe hoe... doet niet... ik moest een afschuw van 'm hebben, net als jij, toen ik hem hier binnenbracht... en dat maakt mij ellendig over mij zelf. Maar meestal vind ik het heerlijk bij hem te zijn en hem voor te lezen. Maar eenmaal heb ik hem willen vermoorden... toen stond ik voor hem met 'n revolver... want ik wou, dat hij dood was, omdat ik van dat gevoel van genegenheid voor hem afwil... maar, Heieen snap je dat... hij wou nog zo graag leven... 't is maar watje leven noemt... en toen gilde hij zo; dat was ontzettend, zoals hij gilde... en toen liet ik 't... stom...
Maar je begrijpt in wat voor angst hij nu leeft... hij is totaal hulpeloos, weg kan hij niet... er is niemand, die herty helpen kan... ja, nu is 't rustig, maar als ik weer voel, dat ik hem zo genegen ben, dan sla ik zijn hoofd stuk, gewoonweg.'
8
Hij zuchtte en hij zweeg, want hij was uitgesproken:
'Wil je mee naar hem kijken? Hij staat binnen te
85