Ik zag het met ongekende angst, terwijl ik in mijn stoel verlamd nederlag, én ik dacht: ben ik gek geworden. .. of wat doet John van Velzen dan toch met mij?
Maar die zat volkomen rustig. Hij rookte met weinig beweging.
'Dat is het voorwerp van mijn liefde, Heieen... zo zegt men immers... het voorwerp mijner liefde', sprak hij langzaam en duidelijk.
'Maar wat is het... god, een enkel hoofd... ik word 'r ziek van... zeg 't toch, wat is dat voor een ding?'
4
'Dat is geen ding', zei John betogend, 'het is een Chinees van 'n jaar of twintig... kerel, dat 's toch zo'n rare Chinees, en zeldzaam óók, wat ik je brom... die is zijn gewicht in goud waard. En 't is niet 'n enkel hoofd, maar gerust 'n hele man... de rest is alleen wat klein gebleven... die zit verborgen in de doos...'
Ik walgde met een week, flauw gevoel in de diepte van mijn onderlijf. Het hoofd keek naar mij met donkere droeve ogen; de fijne mond lachte. Het sprak tegen John, taal, die ik niet verstond, en die ik niet bij verwantschap kende. De stem was diep, maar die martelde mij. John antwoordde, ook in vreemde taal. Mijn hoofd deed toen verschrikkelijk zeer, en ik kreunde.
81