en veel mooie dingen, dat heb je allemaal gezien... maar het geeft me niets, kerel, niets... ik heb 'n hopeloze liefde, jong, en daar kan ik niet overheen komen... waarachtig niet.'
Hij had een spottende klank in zijn stem, en zijn ogen sneden open. Dus dat was een bui, zoals ik mij nu weer herinnerde, dat hij ook dikwijls had gehad in onze jonge jaren, toen wij veel samen verkeerden.
John zat nu weder zonder beweging en geluid, verslapt, als na overspannen passie.
'Waarachtig', gilde hij met een lach: 'ik heb je alles laten zien, nu wil ik je ook het voorwerp van mijn liefde laten zien... wacht, ik zal 't even halen, steek jij dan onderwijl de lampen op... ja?'
3
Ik was bang, toen hij weg was. Met rillende vrees, en die werd sterker naarmate John langer wegbleef. En hij bleef lang weg, wel een kwartier, geloof'k, maar dat weet ik niet precies, want in mijn vrees had ik het weten van tijd en wijle verloren, zodat al de tijd bijzonder lang viel.
Eindelijk kwam John terug. Hij had een bruine doos, vóór zich uit, op zijn beide handen. Op het bovenvlak van die doos lag een los mensenhoofd, verschrikkelijk groot. Het hoofd was van Chinese vorm, met een bijzonder zware haarstaart. En het hoofd leefde.
80