volken van Europa behoorde, omdat zijn ogen niet zwart waren, doch zij waren wel blauw en grauw.
Nadat ik mijn leven van Holland en van Haarlem had losgemaakt reisde ik af naar Kopenhagen, waar in die tijd zich vele lijders aan lupus rondom een ge-neesinrichting van heer N. Finsen1 bevonden. Het was na de herfst en vóór de winter dat ik reisde. Het noorden van Europa was vol donkere en onheilspellende stormen, die het zeevlak stuksloegen, zodat de schepen struikelden op felle vaart, en dan dikwijls niet weder opstonden. Vóór wij de Deense stad hadden bereikt was ik reeds zielziek geworden, en machteloos zodat ik het gevoel van genegenheid voor de lupuslijder niet behouden kon. Het ontviel mij, en daardoor betwijfelde ik voor het eerst na vele jaren aan de werkelijkheid van zijn bestaan. Zijn visioen zag ik in lange tijden niet. Nu reisde ik alweer naar het zuiden terug, terwijl ik in het leven van mijn gevoelens er zeer duidelijk drie onderscheidde:
Ten eerste verbazing dat ik die lupusman wel ooit zo genegen was geweest, dat ik voor hem mijn gematigd leven uit Holland en uit Haarlem had losgemaakt.
Ten tweede verheugenis des harten, dat ik die
112
1 Niels Finsen richtte in 1895 het Finsen Medisch Lichtinstituut te Kopenhagen op. In 1903 kreeg hij de Nobelprijs voor geneeskunde, speciaal voor zijn bijdrage aan de behandeling van lupus.