vreemde genegenheid nu niet meer gevoelde.
Ten derde, daarentegen, droefenis, doordat ik te klein was gebleken voor een zo grote genegenheid, die voor geen storm en zeevaart scheen te wijken.
9
Daar mijn leven nu toch losgelopen was, kon ik mij evengoed in het zonnige zuiden vestigen, als in Nederland, waarin het nu zwart stormde en winter was. Dus ging ik wonen, stil en voorzichtig, zonder mensen te kennen, in Ventimiglia, dat in Italië ligt, midden in de zon, en aan de zee van doorzichtig blauw.
Met het visioen van de lijder ging het, gelijk 't reeds zó langwijlig was gegaan.
Na enige korte tijd was het op Ventimiglia al zomer geworden, en in de blauwe stilte van een avond van een zomerdag schreef ik in verrukking een lange, diep-vleiende brief aan een zeer gewaardeerde jongen, die te Neerbosch bij Nijmegen nog in de winter woonde.
Het visioen van de lupuslijder was toen aanwezig.
Toen hoorde ik een verschrikkelijk felle gil, maar die rammelend afbrak, alsof er één in zijn eigen gillende stem doodstikte. Op dat ogenblik verdween het fijne gezichtsbeeld, na even fel en snel afgebroken te zijn, en er bleef een plek over, zo zwart als de hel.
Mijn adem schrok stil, als een muur in mijn mond, tijdens dit bedrijf. Ik belde om mensen in
113