7
Het gezicht van deze ontstellende lijder wijzigde door deze wilde, woekerende, rode ziekte, want het verloor zijn fijnheid van kleur. De mensen meden deze lijder en deze lijder meed de mensen en straten, zodat hij, weinig of nooit meer buiten woningen komende, in zijn gezicht, waar dat niet rood gehavend was, een vuilachtige huiskleur kreeg.
Zijn ogen werden schuw, vol donkere en zwaarmoedige schaduwen, die door geen levenslicht meer opgehelderd werden.
Toen het diep beledigde aangezicht in deze schrik-uitbarende toestand gekomen was, droomde ik een nacht van hem, precies zoals ik dit, jaren en dagen geleden, ten eerste had gedaan. Die tweede droom had dezelfde ivoor-porseleinen bloemen, geuren en kleuren als de eerste. Ook hoorde ik wederom de woorden: 'wat ben je lief... wat benje lief met sidderend gevoel, alsof een man mij over mijn achterhoofd streelde.
Nadat ik wakker was geworden kostte het mij vrijwel veel moeite vóór en aleer ik mij verschrikkelijk goed had voorgesteld, dat er tussen die twee schone dromen eeuwig veel jaren verliepen van langzame, wroetende lupus. Toen ik het mij verschrikkelijk goed had voorgesteld, gevoelde ik met een trillend lichaam, hoe schoon het gelaat was geweest en hoe lelijk het was geworden. Mijn genegenheid
IIO