aan mij verschenen ziekte duurde. Er kwam weder kalmte, waarin ik het langzame wroetende werken der ziekte zag, met droefheid en ook met gelatenheid.
De neus, waarin de ziekte begonnen was, werd met een vergrotende en wilde woekering aangedaan, die zich over de fijne wangen uitbreidde. Het viel mij op, dat de verdorven neus op het lichaam van een vogel geleek, terwijl dan de vlekken op de wangen twee uitvlerkende vleugels waren. En die vergelijking was daarom zojuist, omdat de wangenschennende vlekken zo vleugelvormig en zo gelijkvormig waren.
In het verlopen van die door en door bedroefde, maar ook gelaten tijden werd de ziekte wel behandeld, maar die behandeling had geen stilstandbren-gende, laat staan dan genezende gevolgen.
Op een dag was de door en door verwoekerde neus verdwenen, die was blijkbaar door een geneeskundige weggenomen. Het gezicht, dat mij zo schoon bekomen was in dromen van rozen en tulpen, werd daarna van een hartverscheurende verschrikkelijkheid, welke ik noch ongestoord verdragen en niet verlaten kon. In plaats van de neus was een duivels, duister gat, zwart als de hel, met ruwe en rode randen.
109