pesterige teistering van hem. Hij leed aan verderge-vorderde lupus, die voortging.
5
Toen ik dat wist kwamen dagen van ontzettende gekheid. Het schone hoofd zag ik voortdurend op de mij eigen en fijne wijze, met de blauwe, grauwe ogen starend, strak boven rode vernietiging van lippen, wangen en van de neus.
Ik wilde het hoofd weghebben, 's nachts sloeg ik er naar met woeste handen, maar ik kon het niet bereiken, evenmin als een schaduw. Gedurende al de dagen kon ik geen enkele werkzaamheid meer verrichten, en gedurende vele nachten lag ik langwijlig slapeloos, met mijn dof hoofd en met ogen, die splinterend brandden van licht. Mijn slapen was slap, zonder rust, vol schotse en scheve dromen over gele tulpentuinen, die vol met diep-gedeerde lupus-lijders liepen. Een enkele maal sliep en droomde ik met ruste en schoonheid. Maar bij stormachtige buien kregen walging en angst mij zo bar beet, dat ik rondom mijzelf wentelend op de bedstede gesmakt werd.
6
De scherpte mijner aanvallen verminderde in de tijd van de maanden en der jaren, dat deze vreselijke en
108