Toen ik voorgoed in het dagelijks leven was wakker geworden bleef ik het gezicht van de jonge man zien, met de vlakke keel, met de meisjesmond, en met de ogen, blauw en grauw. Maar ik zag het op een bijzondere wijze; fijn gekleurd en op een dun en zwart achtervlak. Mijn gezichtsveld werd door het portret niet bedekt, zodat ik alle dagelijkse dingen op een wijze zonder afwijking zag, en toch in dezelfde tijd het eigenaardige portret beschouwde. Dat was niet altijd aanwezig, terwijl zijn verschijnen en verdwijnen buiten mijn wilsvermogen viel. De tijden dat het portret zichtbaar was, en de tijden gedurende welke het onmogelijk zichtbaar was, waren uiterst verschillend van duur. Ook waren zij op een zeer onregelmatige manier door nachten, dagen, maanden en seizoenen verspreid.
Dat stelde ik eerst later en langzaam vast. De werkelijke voortdurendheid van dit singuliere gezichtsbeeld gaf mij twee verschillende gewaarwordingen. Ten eerste een van vreugde, omdat de jonge man zo volkomen schoon aan mij verscheen, en ten tweede een van verdriet, omdat mijn schoonheid geestelijk afwijkend was. Maar doordat de eerste verreweg de sterkere was, genoot ik toch, wanneer de jonge man voor mij aanwezig was. Wanneer hij verdween had ik duidelijk leed, verlangen, en angst, dat hij voor eeuwig en altijd verdwenen bleef.
106