VI.
Tegen den middag. Naar het hotelletje gaan, om te eten. Eerst eens kijken in de khan. Zijn de jongens al terug? „Vervloekt zij hun geloof,” verzekert Hadj Achmed boos: „moge Allah hun de handen en de voeten breken... het zijn duivels. Maar, bij mijn geloof! Zij komen de khan niet meer in... Ja, Heer”. Ik ben nu toch wel even ongerust. Ik ken onze paarden. Twee kleine jongens. En zonder zadel. Zonder tuig of toom. Maar een half uur later komen zij thuis. Ze hebben als dwazen gereden. De paarden zien er vreeselijk uit. Ze hebben ze aan de poort afgegeven. Want ze durven niet dicht bij Hadj Achmed komen.
Abdoel Salaam en ik hebben gewed of wij de soep eerst of laatst zouden krijgen. Maar we krijgen heelemaal geen soep. Daarentegen mogen we een taaie kip vierendeelen. En we krijgen gepeperde aardappelen, die héél gepeperd zijn. Abdoel Salaam is afgetrokken en stil. Dat beteekent iets met de paarden. Inderdaad, een politie-ofFicier hier te Gaza, wil het groote paard ruilen voor een kleiner, dat beter bij het tweede paard van ons past. Maar hij wil geld toe hebben.Veel geld.Wel dertig pond. Zooveel
103