zal Abdoel Salaam zeker niet geven. Hij heeft toch wel zin in den ruil. Dus begint hij alvast vreeselijk op het groote paard af te geven. Het eet zoo veel. Het is zoo lui. Het is zoo heel gauw moe. Zóó zal hij langzamerhand zich gereed maken voor den ruil.
Ik ben moe. Nagib Effendi is nog niet in Berseba terug. Ik weet het door de telefoon. Even daarna rusten wij beiden stil in onze kamer in ons hotel in Gaza. Mijn hoofd is verward. „Mijn vriend,” zegt Abdoel Salaam héél rustig: „ik geloof, dat ik morgen het groote paard maar ruilen zal. Bij mijn geloof, ik heb er verdriet van gehad ”
104