Zwart. En ze worden soms met ruw rood beschilderd. Ik koop een aardigen pot van dofzwart en goed rood voor twee shilling. Wat de pottenbakker heeft gevraagd. Het is zóó mooi en zóó goedkoop, dat ik het niet over mijn hart kan krijgen af te dingen. Ofschoon men hier nooit, maar dan ook absoluut nooit moet betalen, wat gevraagd wordt. Straks zullen de stoute Joodsche jongetjes Josef en Benjamin mij uitlachen. En zij zullen mij verzekeren, dat ik voor drie shillingen bekocht ben.
Dicht bij het Serail zie ik ook het graf van den sterken Simson. En dan de stad uit, van den zeekant af, waar de heuvel van Simson is. Gelijk geschreven staat (Rigteren 16:3): „Hij greep de deuren der stadspoort met de beide posten en nam ze weg met den grendelboom, en leide ze op zijne schouderen, en droeg ze opwaarts op de hoogte des bergs, die in het gezicht van Hebron is”. Een héél mooi uitzicht van den heuvel. De oude karavaan-weg van Egypte. En ver weg de bergen, die tot Hebron zijn.
102