Drie maal in de week een trein. De wagenweg, die nog wel de Sultansweg heet, is sinds den oorlog vervallen. De regens heeft er diepe, gemeene geulen in gebeten. In de lengte. In de breedte. Soms is de weg heelemaal weg. Dan rijden wij gehaast door ’t akkerland. Abdoel Salaam houdt hier zelf de teugels van het bewind. Hij is een van de beste ruiters en rijders van het land. Wij hadden eerst plan een bezoek te brengen bij de moeder van het mooie paard Jimmy. Maar zij woont toch wel heel ver. En wij weten ook niet zeker of zij wel thuis is. Dus rijden wij maar goed getroost verder over dit leege land, dat naar zijn nieuwe bewoners schijnt te schreeuwen. In het geheele district van Berseba wonen goed een dertigduizend man. Wagenverkeer is er niet. Wij komen kameelen tegen met brandhout. En mooie, stipt-stappende ezeltjes. Zij dragen de zwarte potten, die de roem van Gaza zijn, in groote wijdmazen netten héél het land rond. Tot achter Tiberias. Bij de bron van Aboe Ir-Gaïk nemen wij afscheid van den Sefardischen jongen, die met ons was medegereden. Hij gaat zijn land verkoopen en dan naar Amerika. Nagib Effendi was nog niet tehuis, toen wij wegreden.
Wij rijden door een wadi. En nog door een
91