III.
Wij zijn de landbouwschool Mikweh Israël langs gereden. Er werken Hollandsche vrienden van ons. Maar wij houden niet op, omdat wij nog vóór den avond te El-Kuds willen zijn. Wij rijden door den zachten, mistigen droom van de vlakte van Sharon. Het land waar de runderen waren weidend, (i Kronieken 27:29.) Saron als een woestijn is de grootste verwoesting (Jesaja 33:9) en Saron als een schaapskooi is Gods zegen (Jesaja 65:10.) In de lente loopt de geheele vlakte bont van bloemen. De roos van Saron. (Hooglied 2:1) is misschien de nareis geweest. Wij rijden den eersten van de zeventien wachttorens voorbij, die de Turken in 1860 hebben aangelegd tot bescherming van den weg. Maar ze zijn nu verlaten. Langs het oude dorpYazin, dat reeds vermeld wordt in Assyrische inscripties uit Sanherib’s tijd.
Het veld is nu laag geheuveld. De herders zijn toch met hunne schapen buitengekomen. Zij grazen laag in de macht van den regen. Onze paarden druipen. Maar ze gaan, goed en gematigd. Langs Beit-Dejan, waarschijnlijk het oude Beth-dagon (Josua 15:41). Colbert moet hier een bezitting hebben gehad. Er zijn nog altijd
158