is en er geen treinen gaan. Er komen ook wagens van de joodsche koloniën rondom: Rehoboth, Rischon le Zion. Zij gaan zwaar met drie paarden. Hun zeilen gesloten voor den regen en voor den wind. Er gaan de kamee-len.Velen gespannen aan een touw. Héél dom. En een stipt, sterk ezeltje voorop. Met een fel belletje, dat wonderhel klinkt in dit landschap van grijs en grijs. Er gaan ook fellachen, héél wat en héél arm. Op bloote voeten door de modder. Een koude mantel om hun schouders geslagen. Hadj Achmed rijdt. Hij heeft te Jaffa, met een subsidie van Abdoel Salaam, een mooie, warme soldatenjas gekocht. Hij heeft ook een warme muts. Ja, Allah heeft hem wel gezegend. Meer dan die dwaze, natte fellachen. Wij rijden ook een karavaan uit Gaza in. Acht ezeltjes en vijf man. Zij brengen het zwarte aardewerk van Gaza naar Jaffa en naar Jeruzalem. Zij hebben óók manden met mooie kippen. Zij zijn wel nat. Maar zij zijn toch tevreden. Il-Hamdu-lil-lahi! Geloofd zij Allah. Maar wij zeggen natuurlijk kortaf: Chamdilla.
i57