en Rischon le Zion. Nes-Ziona heet in het Arabisch Wadi el Chanin. Dat is Bloemendal. En het bloeit hier waarlijk vol van roode, gele en blauwe bloemen. Wij rijden langs de hutten der Soetarie-Arabieren. De sjeik, die een bekende van Abdoel Salaam is, komt ons heel waardig begroeten. Willen wij niet een kopje koffie drinken in zijne tent? Maar wij hebben geen tijd. Wij willen vóór den Sabbath binnen zijn. En wij rijden. Door de tuinen van Nes-Ziona, die vol hangen met sinaasappels. Kameelen trekken langs den weg, die de kisten naar Jaffa voeren. Wij zien voor het eerst weder Jeme-nietische Joden. Het Joodsche Land. De weg is hier een beste, harde heerweg. Abdoel Salaam prijst de Joden: „zij hebben veel verstand”. Hunne geheele familie is ons trouwens goed gezind. Maar de heilige Mopsen zullen dat wel bederven.
Wij eten te Rischon le Zion. De waard herinnert zich nog, dat ik bij hem heb gegeten met Jabotinsky en ben Chacham Baschi van Jaffa. Wij worden dus heel goed bediend. Abdoel Salaam is zeer tevreden. Roode en witte ramenasjes hebben wij reeds gekocht.
Wij zien nu ook weder, hoe een schoenpoetser er uit ziet. Deze blijkt Menasse te heeten. Hij
152