een Arabier. En ten derde ben ik, de reiziger, een bourgeois, die voor zijn genoegen reist. Zij zijn wel bereid met mij over deze punten van gedachten te wisselen. Maar daar ik hunnen heiligen tijd, die bestemd is voor den opbouw des lands, niet ontheiligen wil, zie ik daarvan af. Gelukkig is er onder deze verschillende Mopsen eene minderheid, die zich niet aan het besluit van de meerderheid onderwerpen wil. Het is niet organisatorisch zooiets zonder congresbesluit te doen. Maar het gebeurt. De minderheid helpt onzen wagen er uit. En de opbouw des lands wordt voortgezet.
VI.
Maar dan is ook dit leed geleden. Wij zijn op zandwegen gekomen, die wel niet licht zijn, maar toch ook niet modderig. Om tien uur rijden wij het station Yebneh voorbij, dat bestaat uit een naambord en twee Indiërs. En even later de tenten der honderdveertig Mopsen, die wel zoo beleefd zijn hunnen heiligen tijd te wijden aan den opbouw van dit land.Van een heuvel hebben wij een verrukkend uitzicht over de Joodsche koloniën Rehoboth, Nes-Ziona
151