jaar niet in El-Kuds geweest. Maar mocht hij er nu nog komen, dan zal hij ons welkom zijn. Op een zoo vriendelijke uitnoodiging passen vele antwoorden. Maar het eenige goede is: „Zoo Allah het wil”.
v.
Nog eenmaal is de weg ons ongenadig. Bij den spoorweg loopen wij weder onherroepelijk in de modderbelt vast. Gelukkig werken er sterke Joodsche jongens in de nabijheid. Willen zij ons misschien even op gang helpen. Deze jongens blijken vrienden van de derde Internationale te zijn. Mopsen, zooals zij heeten naar hunne organisatie m.p.s. Zij willen geen Hebreeuwsch spreken. Goed. Jiddisch. Op ons verzoek om hulp, kunnen zij maar niet zoo dadelijk antwoorden. Zij moeten daarover beraadslagen. Deze kewoetsah houdt dus eene openluchtbijeenkomst. Het duurt héél lang voor de leider ons mededeelt, dat zij niet bereid zijn ons te helpen. En dat op de navolgende gronden. Hun tijd is heilige tijd, die alleen en uitsluitend bestemd mag worden voor den opbouw des lands. Bovendien is de eigenaar van den wagen
150