Het is half twee. De weg ligt zoo rustig, als had hij verder geen kwaad meer in het zin. De paarden draven. „Mijn vriend”, zegt Abdoel Salaam: „ik heb veel verstand. Deze dwaze Egyptenaren hebben ons geholpen. En een baksjisj hebben zij niet gewild.”
v.
Aan Jaffa denken wij al niet meer. Maar Duran, Junara ofWadi el Chanin, dat zijn nog mogelijkheden. Doch om drie uur is de weg hopeloos geworden. Eén modderbende. De paarden uitgeput. Achmed loopt naast den wagen, diep bemodderd. Hij schreeuwt. En hij slaat de paarden dood. En zijn vader is toch niet minder dan portier bij de Fransche Zusters van Zion geweest. Hij heette Jaacoeb. Doodeenvoudig Jaacoeb. Maar wegens zijn groote wijsheid was hij sjeikh Jaacoeb bijgenaamd. En alle Soedeneezen van Jeruzalem kusten hem de hand.Ya Salaam. Maar die weg van Esdüd naar Jaffa weet dat niet. Die weg martelt ons. Die weg beult ons. Neen, — wij zullen vanavond geen van de Joodsche koloniën meer halen. „Compagnië” zeggen onze Arabische vrien
i43