drinken. Het is twee minuten loopen. Of vier uur rijden. Dus rijden wij maar liever door. Een mooie laan van cactussen. En de vlotte weg ligt voor ons. Wij nemen een afdoend afscheid van het mannetje, dat alle booze plaatsen zoo goed kent, mitsgaders van deszelfs Philistijnsche genooten. Zullen wij heden Jaffa nog halen? Zoo neen, — dan als het u belieft Rehoboth, dat Abdoel Salaam natuurlijk Duran noemt. Of anders Rischon le Zion, dat Junara heet. Ook Wadi el Chanin, het Rozendal, zou goed zijn. Maar Allah weet het!
IV.
Heeft Allah ons dan niet meer lief? De weg is goed geweest tot aan de spoorlijn bij het station Esdüd, dat natuurlijk ligt aan de lijn van Gaza naar Ludd. Maar dan is de weg ineens verdwenen. De geweldige regens, drie dagen lang, hebben hem afdoende medegevoerd. Er ruischt nu een breede wadi met een héél mooi en dichterlijk watervalletje. Het is alles zoo mooi en zoo bekoorlijk. Jammer, dat wij hier niet overnachten kunnen. Wij immers zijn op weg naar Jaffa. Abdoel Salaam, waarlijk met een hemelsch
141