lijkheid van Gods open hemel, zijn ons te hulp gekomen. Om elf uur staan wij er nog. Ashdod bouwt zoo mooi en zoo klein onder het groote des hemels. Wat moeten wij doen? Wij zenden het mannetje, dat alle booze plaatsen zoo goed kent, naar Ashdod terug om Philistijnsche hulptroepen te halen. Hij gaat. Hij blijft wel héél lang heen. Abdoel Salaam is héél geduldig gebleven. Hij rookt cigaretjes, en hij twijfelt of wij dien dag JafFa nog wel halen zullen. Het is zoo zacht, zoo mooi, zoo zonnig weer. Maar de wegen worden al slechter nu de modder hard opdroogt. En de Philistijnen komen niet. Zullen zij komen? Ja, de Philistijnen zijn gekomen. Zij hebben hunne sterke schouders onder onzen wagen gezet. En met een luid geschreeuw, want zonder dat gaat het niet, werden wij verlost.
Het is twaalf uur, wanneer wij weder komen op de mooie markt van Ashdod. Wij zijn twee minuten loopens van den molen af. Maar een rijweg tusschen het dorp en zijn markt is er niet. Het doode schaap hangt nog héél treurig aan zijn touw aan zijn boom. De kameel heeft betere zaken gemaakt.Wij ontmoeten op de markt ook onzen gastheer Isaac Effendi, die ons dringend uitnoodigt een kopje koffie te komen
140