het einde den motormolen niet meer hooren. De grond moet wel goede grond zijn. Zóó rijk als deze tuin is. Er is een diepe put. Volgens onzen gastheer een oude. Met behulp van twee raderen en twee vrouwen wordt het water naar boven gewerkt. De amandelboomen bloeien. En ik begrijp in eens, hoe de bloeiende aman-deltak in de joodsche geschriften zoo dikwijls voorkomt. Wij plukken uit dezen koelen, voch-tigen tuin roode en witte ramenasjes voor ons ontbijt. En na het ontbijt rijden wij af, nadat wij de wederzijdsche zegenbeden tot ieders tevredenheid hebben gewisseld.
iii.
Het is alles héél eenvoudig. Wij willen vandaag tot Jaffa komen. Maar de weg naar den weg van Jaffa leidt over een veld, waar na den regen moerassen staan. Isaac Effendi geeft ons dus een mannetje mee, die de booze plaatsen kent. Het blijkt. Op een héél booze plaats is de wagen vastgeloopen.Wij hebben de paarden geslagen, ongenadig. Zij hebben de plaats met hunne hoeven vertrapt. Alle herdertjes, die daar hunne kleine kudden hebben gehoed onder de heer
139