in den Tempel van Dagon (i Samuel 5.) Koning Uzzia slechtte de muren. (11 Kron. 26:6.) De Assyriërs namen de stad in. (Jesaja 20:1.) De vrouwen van Ashdod vermengden zich met de Joden (Nehemia 13:23 en 24.) Jeremia, Amos, Zefanja en Zechaija profeteerden tegen de stad. Herodotus vermeldt, dat zij gedurende negen en twintig jaren door de Egyptenaren werd belegerd. Het langste bekende beleg van de wereld. In den tijd van de Makkabeeën werd de stad door de Joden genomen. Maar door Pompejus weder vrij gemaakt. Een uur van Esdüd af, ligt de oude haven van Ashdod, maar verzand. Er is nog een landingsplaats tusschen de riffen.
VI.
De molenaarsknecht heet Fouad. Maar hoe ver is dit modderdorp van Jeruzalem. En deze Fouad van ons zwarte knechtje Fouad, dat mij heeft beloofd, dat hij altijd bedroefd zal zijn, zoolang ik weg ben. En dat hij altijd aan mij denken zal.
Ik schrijf u dit nu gezeten in de kamer van Moussa Effendi, den tweeden zoon van Daoud Effendi Chalil Aboe Chalil, den zoogbroeder
132