verstand”, merkt Abdoel Salaam op. En wie, die dit leest, durft hem tegenspreken? Nu wij eenmaal in zijn huis zijn, gedraagt Isaac Effendi zich gelijk dit een gastvrij gastheer betaamt. Hij snoept van onze olijven. Want Abdoel Salaam reist niet zonder een goed olijvenpotje. Hij eet van onze eieren.Van ons wittebrood. Ook van onze bonbons, ofschoon zij misschien door onderkruipers zijn gemaakt. Een gul en hartelijk gastheer. Hij leent ook zijn knecht, die mij de stad zal laten zien.
v.
Ach, het arme Ashdod! Het is nu een dorp van enkel leemen huizen, waarbij zelfs de gedachte aan een menschwaardig hotel in het niet verdwijnt. De straten zijn weggespoeld. Dit is een van de vijf groote Philistijnsche steden. De naam beteekent, evenals Gasa, „sterke stad”. Zij had een citadel op een heuvel. En beheerschte het korte dal van de geheele streek. Zij was een station tusschen Gasa en Jaffa, aan den rijweg naar Ekron. Josua deelde de stad toe aan den stam van Juda, maar zij namen haar niet. De Philistijnen brachten er de veroverde Gods-ark
131