van Abdoel Salaam. Er brandt maar een heel klein Ashdodsch lampje. En er zijn drie ledikanten. Want de gulle, hartelijke, gastheer heeft ook zijn eigen ledikant laten binnenbrengen. De gastheer slaapt hier in ’t land bij zijne gasten, opdat zij des nachts niet kunnen stelen noch kunnen bestolen worden. Abdoel Salaam, wiens vele verstand wel moede moet zijn van dezen ingespannen dag, hoort: hij slaapt. Ook de gastheer slaapt. Het middelste ledikant is dan voor mij. Maar ik vrees het middelste ledikant met groote vreeze. Ofschoon het bed van den Griek in de khan...
Ik zal toch moeten besluiten. Er wacht ons morgen nog een goede rit. Eerlijk gezegd ben ik bang. Niet voor het geweer, dat daar aan den wand hangt. Een geweer, dat daar zoo open en bloot aan den wand hangt, is onschadelijk. Maar ik ben bang voor den zwarten karabies, die op de vensterbank staat. Bij Dagon, hoe komt een zwarte karabies te Esdüd, dat vroeger Ashdod heette. Als het vannacht eens spookte? Ik had niet het spookachtige vijfde hoofdstuk moeten lezen uit het eerste boek van Samuel. Wat is Ashdod vannacht stil. Ik zou nu een dubbel tarief willen geven voor een electrische tram. En ik zou dadelijk oploopen als de telefoon ging.
i33