Chedera, dat in het Noorden ligt. Maar men twijfelt. De regen heeft de wegen zóó stukgeslagen, dat het waanzin is in den nacht te rijden. Misschien kunnen we hier toch blijven. In de khan? Ja, er is een kamertje in de khan met twee bedden. Op één waarvan een Griek slaapt, bij wiens viesheid vergeleken onze viesheid de zuiverheid van een kinderziel is. De Griek verklaart zich bereid zijn bed voor dezen nacht aan mij af te staan. Ik sidder. Het is ver gekomen! Maar, bij mijn geloof] Isaac Effendi is thuisgekomen. Zal hij ons gastvrijheid verschaffen? Hij zegt, dat hij waarlijk geen plaats heeft, waarschijnlijk, omdat ik geen fez draag. Het wordt wanhopig. En de wind steekt weer op en zwaait met regen. Dus toch de khan? En toch de Griek? Maar Abdoel Salaam is in dit land geboren. Hij herinnert zich, dat hij te Esdüd nog een kennis heeft, Moussa Effendi, den zoon van Daoud Effendi Chalil, zijn zoogbroeder. Waar Woont Moussa Effendi? Het blijkt, dat Moussa Effendi bij den ongastvrij en molenaar woont. Maar op reis is. Doch nu treedt Abdoel Salaam op. Wij hebben eenvoudig recht op de kamer van den zoon van zijnen zoogbroeder. En dat moet Isaac Effendi nu ook toegeven. Hij erkent zelfs ons recht op een tweede bed. „Ik heb véél
130