Zusters van Zion. En alle Soedaneezen van Jeruzalem kusten zijn hand.Ya Salaam!
ui.
Maar dicht bij Esdüd krijgt de regen ons beet. Het is plotseling. Het is volkomen. De hemel was wit en blauw. De hemel is zwart. De wind grijpt den wagen aan als een schip. Wij sluiten de zeilen, die wapperen. Achmed wijkt van de voorbank naar de binnenbank. Wij zijn gereed. En de regen. Er is in de heele wereld niets dan deze regen. Hij staat zonder genade tusschen den hemel en de aarde. De wind waait hem door de zeilen heen. Wij rillen in onze regenjassen. De paarden zijn verslagen. Zij bewegen niet. Zij stroomen. Het stormt om den wagen als een zeestorm. Wij zullen omwaaien. Wij vergaan.
Maar na een half uur wordt het weder stil. Wij rijden op. Het water staat op den weg. Maar het meeste is toch weder meteen in den zandbodem verdwenen.
Wij naderen Esdüd. Er zijn weder de goede gaarden met hunne felle bescherming van cactussen. Er zijn de vijvers, die in den zomer op
128