II.
Terwijl wij rijden denk ik weer over den gelukten overmoed van midden in den regentijd uit bischoem-el-hawa te gaan. Men moet vooral niet denken, dat men zoo iets met een huurkoetsier doen kan. Ten eerste zou hij het verdraaien. En ten tweede zoudt gij het niet overleven. Noch uw wagen, noch uw paard. Ja, wij zien, dat het geregend heeft! Waar de weg laag ligt, staat water. Een paar voet hoog. Geheele meren zijn geregend, die rimpelen en rillen in den middagwind. Als wij den spoorweg weder bereiken, wordt het vreselijk. Er zijn vele duikers. En vóór eiken duiker is de weg gehavend. Wagenverkeer is er niet. Reizigers nemen den spoorweg. Goederen gaan per kameel. Abdoel Salaam en Achmed zijn nu samen aan het werk. Eén rijdt. De ander bedient de rem. En spiedt den weg af. Soms is er geen mogelijkheid. Scheuren en beten overal. Dan moet Achmed er af. En zien, waar wij er door kunnen. En wij komen er door. Maar geen vreemde koetsier doet dat na. Dus hulde aan Abdoel Salaam. En ook hulde aan Achmed, wiens vader uit Soedan is gekomen en die wegens zijn groote wijsheid sjeikh Jaacoeb heette. Hij was portier bij de
127