ze aanpakken en schillen kan. Zelfs de jakhalzen, die hier wauwi heeten, hebben moeite door die cactushagen heen te komen.
Het landschap is hier boven alle woorden uit prachtig. Er is een wijde gaarde, waar verspreid de eeuwen-oude olijfboomen staan. De stammen lichtgrijs en gegroefd. Maar nog vol van leven. Er zijn hooge vijgenboomen, met een breede kroon van hun bladeren. Er is het fijne van een ets in de wereld. Er is het bewegen langs den weg van kameelen en ezeltjes. Al het groote vee heeft nu zijn kleinen. Maar men ziet geen steden. Geen dorpen bijna. Een land van weinig volk. Straks zal het land veranderen. En zullen wij geen gaarden meer zien. Maar grasland, bijna heideland. De schapen en de geiten zullen er gaan in gemengde kudden. De kleine herdertjes en de groote herders zullen rillen in hunne mantels, gestreept van grijs en bruin. Het is alles héél mooi. En soms zou men wel wenschen, dat het zoo blijven kon. Maar het is heel leeg van volk. Links ligt de weg naar het dorp Hamameh, dat Duif beteekent. Mooie tuinen. En in de buurt het graf van e enen heilige, dat jaarlijks door duizenden pelgrims vereerd wordt.
126