Wij zien een groote spinnerij, meters, meters lang, heel vredig in de buitenlucht op het kerkhof. De koeien grazen er. En de herdertjes van de koeien spelen er. De weverijen zijn letterlijk overal. In alle huizen. In alle hoekjes. In alle holletjes. Het is hier alles nog handwerk. De meester van een van de mooiste weverijen, waar wel drie man werken, verzekert ons, dat hij in zijn magazijn op de markt nog heel wat mooiere stoffen heeft. Hij gaat ons plechtig voor. En de geheele straatjeugd volgt ons. Wat hier nog iets anders is dan schooljeugd. Ook de politieagent van Medjdel wandelt mee. Hij is nog heel jong. Af en toe slaat hij de straatjeugd uiteen. Het magazijn-aan-de-markt van den voortreffelijken wever van Medjdel blijkt een open winkeltje te wezen, dat door des wevers zoon gedreven wordt. Bijgestaan door groot en klein nemen wij de stoffen in oogenschouw. Abdoel Salaam koopt voor het ongedienstige dienstmeisje Arnni mooie groen-zwart-roode banen voor een japon. Moge zij het loonen! Ik koop breede banen met zijde doorgeweven. Heel mooi en heel gaaf gedaan. Ik vind ook een prachtigen doek van rood met wit. Dan nog een tafeldoek van zacht rood. En ook zoo een van heel zacht blauw. Die na ons komen zullen het wel met
122