fabrieks-arbeid moeten doen. Wij zijn tevreden. Ook de houder van het-magazijn-aan-de-markt is tevreden.
Wij wandelen dus terug, met den diender en de straatjeugd. Maar ’t moet gezegd, dat allen, ook de diender, zich netjes gedragen.
Medjdel is een bloeiende marktplaats met een groot, vierkant marktplein. Wij willen vandaag nog rijden naar Esdüd, het oude Ashdod. En wij hebben nog veel te doen. Wij moeten nog sinaasappels koopen. En een kopje koffie drinken, waarop wij overigens onthaald worden door een kennis van een kennis van Abdoel Salaam, wat om zoo te zeggen familie is. De jeugdige diender krijgt ook een kopje. Wederkeerig snoepen zij van onze bonbons. Iedereen acht ons. Wij hooren, dat het drie dagen lang vreeselijk geregend heeft. Is dan de weg naar Esdüd, dat vroeger Ashdod heette, nog wel goed? Er wordt ons verzekerd, dat de weg heel goed is. Als ’t niet waar is, zullen wij het zelven wel zien.Waarom zou men ons verdrietige woorden zeggen?
Achmed heeft de paarden en den wagen nagekeken. Alles goed en gaaf. Daar rijden wij weer. Op weg naar Esdüd.
123