III.
De paarden hebben wel geloopen. Het is nog mooi in den morgen, wanneer wij te Medjdel aankomen. Wij rijden dadelijk door naar Askalon. ’s Middags weder Medjdel.
De weg naar Askalon is een zware zandweg. Voor de paarden wel héél zwaar. En als wij dan op halfweg zijn gekomen, stijg ik uit. Abdoel Salaam en Achmed zullen bij de paarden blijven. Zij zullen hun eten geven. En zij zullen zelve óók wat eten. Ik ga alleen door het land der Philistijnen naar Askalon. Een heerlijk land. Overal liggen de goede gaarden: sinaasappelen, citroenen. Boomen en boomen vol. De hooge palmen wuiven op den wind. Tegen den wind in loop ik de zee tegemoet. Er is een rijweg, waar ik in de schaduw verscholen een bron zie. Meisjes en vrouwen loopen af en aan, die groote zwarte kannen van Gaza op hun hoofd dragen. Al deze mooie tuinen behooren bij het kleine dorp Dschóra. Er wordt daar heel wat visch gevangen en die wordt op heel wat ezeltjes naar Jeruzalem gebracht.
Tusschen twee heuvelen ineens de open zee. Er staat een volle Westenwind. De golven breken hun reven. Het strand ligt breed en leeg. De
118