Maar de Turken hebben de boomen geveld voor aanleg van militaire spoorwegen.
Het is eigenlijk wel een groote overmoed geweest, deze luchtschepping midden in den groo-ten regentijd. Maar Allah heeft ons zóó liefgehad. Wij zijn er goed doorgekomen.Wij hooren, dat het verderop naar het Noorden geweldig geregend heeft, drie lange dagen lang. Het waait nu zacht en heerlijk:Wij snoepen bonbons uit de fabriek te Jaffa, waar de staking nog altijd voortduurt. Den weg naar Beth-Hanün laten wij liggen voor wat hij is. Omdat wij niet op weg zijn naar Beth-Hanün, maar naar Medjdel. De weg is hartbrekend. Abdoel-Salaam weer met de teugels van het wagenbewind. En Hadj Ach-med aan de rem, zonder welke een Palestinen-sische wagen nu eenmaal geen wagen is. Dorpen noch huizen, die wij zien. Er zijn de kudden van koeien, geiten en schapen. Allen met hun klein vee. En er zijn de herdertjes, die naar onzen wagen kijken. Hun kleeren waaien op den wind. Zij duiken weg in hunne schoudermantels van grijs en bruin gestreept.Wij rijden door een veld vol fijne viooltjes. Door een loopgraaf. Langs het dorp Burberah met mooie tuinen. En waar nu in den regentijd een groote vijver staat. Maar men heeft er veel last van zandstuivingen.
117