Ien zij weder terug in de vaalheid van hun paar-deloos bestaan. Maar zij verzekeren ons, dat zij deze paarden nooit, neen, nooit zullen vergeten. En ook ons zullen zij niet vergeten. Zoo heb ik Gaza lief om al hun lieve vreugd. Men heeft een stad soms lief voor minder.
II.
Wij zijn allen tevreden, wanneer wij afrijden. Ook de hotelhouder. Toch moge Allah hem zegenen. En ook de beide jongens moge hij zegenen. De dag is nog vroeg. Het landvolk gaat naar de stad om te verkoopen. Zij hebben mooie kippetjes. Wit, zwart en bont. Zij hebben gerst voor zeven piaster min een kwart. Ja, voor zes piaster de rotel. Onze vriend, de bakker, staat aan den weg, en doet zijn koopen.Wij rijden langs het duizenden soldaten-kerkhof, dat zoo ligt met de glooiende heuvelen achter. En de wijde, rijke, vlakte voor. De vlakte van Gaza vruchtbaar: gerst, sinaasappelen, amandelen, druiven, abrikozen. Gaza heeft altijd alles het eerst. Hebron, dat hoog ligt, veel later. De boomen staan hier nu in vollen bloei. Vroeger was de vlakte ook schatrijk aan olijfboomen.
116