MEDJDEL, 26 Januari.
nacht in het kamertje in het herbergje van Gaza, staan de twee jongens er, Josef en Benjamin. Zij zouden ons héél vroeg roepen. En zij hebben ons héél vroeg geroepen. Want al den tijd, dien wij noodig hebben voor het was-schen. Maar dat is niet veel. Wij worden onderweg al aardig vies. En den tijd, dien wij noodig hebben voor de gebeden en voor het eten zullen zij mogen spelen met de paarden. En zoo zal dit mij van Gaza bijblijven. Ook wel de pottenbakkerijen. De vlechterijen van grove en van fijne zeven. De vijf meisjes met de koppen van kroes, die ’s morgens acht uur zaten te kaartspelen aan den openbaren weg. Maar meest de groote losgelaten vreugd van de twee joodsche jongens, wier vader een vrije boer in Bessarabië is geweest. Twee, drie dagen zijn zij als konin-gen geweest onder de schooljongens van Gaza zonder onderscheid van ras en geloof. Nu val-
anneer ik wakker word gemaakt in den
115