ben geslapen, begrijpt iedereen, die Gaza kent. Het heeft vannacht geregend, wat heel noodig is voor de gerst van Gaza. Maar onder het afdak is het droog en frisch.
Wij zullen vandaag naar het slagveld bij de Wadi Gaza rijden. Maar als ik in de khan kom kijken, vind ik Hadj Achmed in het mooiste humeur van de wereld. Hij heeft al héél vroeg de paarden gezadeld. En de stoute, joodsche, jongetjes Jozef en Benjamin, zijn als effendis op gezadelde paarden uitgereden. Want Hadj Achmed is een wijs man. Hij heeft vannacht in den mooien maneschijn overdacht, dat men meer baksjisj vangt met gezadelde paarden dan met azijn. Zijn vader was nog een veel wijzer man. Hij was héél zwart. En hij heette eenvoudig Jaacoeb. Maar omdat hij zoo verregaand wijs was, werd hij bijgenaamd sjeikh Jaacoeb. Hij was het erkende geestelijk hoofd van de Soedaneezen te Jeruzalem. De zoon van dezen wijzen sjeikh Jaacoeb verzekert mij, dat Jozef en Benjamin héél aardige kinderen zijn. Hij heeft hun daarom de paarden ook gaarne gegeven. Als zij vanmiddag willen, mogen zij gerust nog eens rijden. Het is niet goed voor paarden zoo veel te eten en zoo weinig te werken. Iedereen begrijpt, dat deze nieuwe wijsheid wordt beloond met een pakje sigaretten.
108