hebben gegeten van de vruchten van ons Land. Gelijk dit op den vijftienden Schebath behoort. Sinaasappelen, mandarijnen, die hier Joessef Effendi heeten, vijgen en dadels. En ieder van de kinderen heeft in een mooien, zwarten pot van Gazasch aardewerk een stekje geplant. Een klein meisje het eerst, dat Tikvak, de Hoop, heet.
En, dit is nu weer typisch joodsch, er is dadelijk een collecte gehouden voor een schoolbibliotheek. Iedereen heeft gegeven. En niet weinig. Er is onder de eenvoudige menschen hier nog wel liefde en wil.
’s Avonds heeft de maan geschenen, als een zon zoo vol, in het hofje van ons herbergje te Gaza.
ii.
Er waren niet minder dan zes reizigers vannacht. O, er zijn in het leven van iederen hotelhouder van die zachte, bloeiende maannachten, waarin het aantal reizigers het aantal van zijn kinderen evenaart, ja, overtreft. Zoo een zeld-zamen maannacht heeft de hotelhouder van Gaza, in het land der Philistijnen, beleefd. Dat zij met alle zeven onder het afdak buiten heb
107