III.
De heeren Jozef en Benjamin, gebroeders, verwaardigden zich tegen tienen de paarden binnen te brengen. Achmed vervloekt hun vader, hun moeder en hun geloof. Hij zweert, dat wij, zoolang hij daar is, geen voet meer in de khan zullen zetten.
En dan rijden wij af. Wij rijden langs de werkplaatsen van de pottenbakkers. En langs de werkplaatsen, waar de fijne melkzeven worden gemaakt. Mooi handwerk. Men maakt hier ook grove zeven van kameelenhuid, die met een klein handmesje aan smalle reepen wordt gesneden en dan gevlochten. Wij zien ook de blauw-ververij. Gelukkig, dat al dit handwerk spoedig verdwijnen zal. En wij mooie, groote fabrieken zullen krijgen.
De rijweg voert heel vreedzaam over het kerkhof heen. En dan door de vruchtbare vlakte van Gaza. Overal is de goede geest aan het opkomen. Er is hier zwaar gevochten. Heel ver zien wij de zee, waar de Engelsche monitors hebben gelegen. Abdoel Salaam is hier officier-tolk geweest. Ik vraag, hoeveel hij toen wel verdiend heeft. Hij grijnst boos: „vraag, wat het mij gekost heeft”. Hij veracht Djemal Pasja.
109