85
Ook het nieuwe Duitsche Burgerl. Wetboek gaat uit van de idee dat bij aanneming het loon niet is eene vergoeding voor geleverden arbeid, maar voor arbeidsmMl<aa<. De aannemer heeft dus de risico te dragen, daar hij heeft de zoogenaamde Vorleistungspflicht. Voltooiing van het werk heft die risico niet op, wel de oplevering en aanneming. In twee opzichten wijkt het evenwel van het Coderecht af: indien nl. het werk te niet ging door een toeval waarvoor de Besteller kan worden aansprakelijk gesteld, dan volgen de „gemeinrechtliche” regelen en indien door een voorgeschreven wijze van uitvoering het. werk vermindert, te niet gaat, of onmogelijk wordt, dan — evenals bij gebrek in de stof — krijgt de aannemer, naar rato van het voltooide een deel van den bedongen prijs (§ 645).
Die kwestie van toevallen die de aannemer of aanbesteder al dan niet had te „vertreten”, wordt als „spheren”-theorie, theorie van causaal-aansprakelijkheid, nader casuïstisch behandeld door Strohal, Oertmann, Crome.‘) Voor ons behoef zij dit voldoende.
Wat kunnen wij nu als resultaat van dit alles opteekenen ? Dit vooreerst, dat eene dogmatische behandeling van deze stof ons brengt tot ingewikkelde casuïstiek waarmee het rechtsverkeer dat eenvoudige regels van noode heeft, geenszins is gebaat, en dan ten tweede, dat ook eene wetgeving, die het karakter der aanneming als arbeidscontract niet wil erkennen, niettemin practisch gedwongen wordt rekening te houden met besteden arbeid.
Twee zaken dienen wij dus in het oog te houden. Dat nl. geene absolute, dogmatische oplossing practisch kan wezen. En ten tweede, dat vele aannemingen gesloten wordeu door werklieden, arbeiders, in waarheid dus zijn eene soort arbeidscontracten.
En dan doet zich alweer practisch de vraag aldus voor: door toeval gaat besteden arbeid te loor: wie moet dat ver-mogensnadeel dragen ? En dan moet het antwoord luiden: hij,
’) Zie uitvoerig bij F. Binnerts (diss.) De risico bij aanbesteding en arbeidsovereenkomst.