Besluit.
Reeds boven hadden wij gelegenheid het een en ander op te merken, waarin wettelijke voorziening werd geëischt, of waar naar onze meening de belangen van den diamantwerker noodeloos werden beleedigd.
Al deze bezwaren zijn meest terug te voeren tot één principieel uitgangspunt: de scheiding tusschen aanneming van werk en arbeidscontract.
Deze scheiding stamt uit het Romeinsche Recht. En de vraag is niet ongewettigd, of niet juist de omstandigheid dat die regeling zoo eeuweuoud is, ons tot nadenken moet stemmen en tot de meening voeren dat zij, niet geschapen met het oog op onze toestanden en onze behoeften, voor onze tijden niet meer past.
Wil de jurist van dezen tijd nuttigen arbeid scheppen, dan werke hij niet met overgebleven begrippen, hoe oud en eerbiedwaardig dan ook, maar met feiten, die zich in onze maatschappij voordoen.
Het diamantvak levert daarvoor eene eigenaardige illustratie.
Wordt nl. enkel het arbeidscontract — als oude dienst-huur — geregeld, niet erkend dat öök de aanneming van werk in vele gevallen een arbeids-contr&ct is, dan moet de geheele diamantindustrie groot nadeel ondervinden en duizenden nijvere arbeiders niet in staat komen zich economisch te handhaven. Wat de gevolgen hiervan zijn, behoef ik hier niet te schilderen. ,