Met de stroom mee

Titel
Met de stroom mee

Jaar
1946

Pagina's
194



Het is wel gezellig, zodra men wat aan mekaar gewend is, bij de Presburgs. Maar vreemd genoeg, Judy blijft zwijgzaam. Er is een publicist Dr. Zeehane. Hij spreekt irriterend hoog en heeft allerlei vulgaire wendingen van den bankier overgenomen: asjemenou en hoe ken ’t bestaan! Voorts ’n beschermeling van dezen, ’n jonge Waalse toneelspeler, die echter ook ’n beetje Vlaams spreekt. Het is evident, dat Presburg Zeehane beschermt, en Zeehane lanceert Eugène Nadar, die met veel zorg gekleed is en ook exquise theorieën over toneel ontwikkelt. Die theorieën bevallen Lode niet, zijn houding en costuum zoveel te meer; hij neemt zich voor ook zo gekleed te gaan.

De tafelwijn heeft dan de tongen iets losser gemaakt en hoewel Judy’s tante, evenals de financier zelf, slechts water heeft gedronken, is ook haar tong los. Zij nu is ietwat vulgair, de gezette mevrouw Presburg. Ze schittert gelijk dat past bij een bankiersvrouw, bij voorkeur zegt ze zotte dingen bij de thee, maar niemand, buiten Judy, durft er om lachen als ze Zeehane, die van den dokter geen zoet mag hebben, aanspoort toe te tasten en met een petir four in het bejuweelde vethandje kirt: „Allez, monsieur Zeehane, après nous le deluce!”

Het woord déluge brengt ons op de erpstige tijden en Lode z’n stem zoekt de donkerste registers. Hij spreekt van het Rooms geloof en schijnt de aanwezige heidenen ’n soort Willibrordus te willen vertonen. Hij vertelt van een heilige die ’n lamme arm kreeg van het zegenen, zodat Zeehane in ’n onbeleefde lach schiet. Maar Lode, zich niet uit ’t veld latend slaan, komt nog met smakelijker geschut: de Heilige Lidwina van Schiedam, („Ik dacht dat daar alleen maar goede bitter groeide,” zegt bedeesd de acteur Nadar), die geheel wegrotte omdat ze alle zonden der mensheid op zich had genomen en tegen haar dood weer haar weergaloze schoonheid terugkreeg.

„Uit de brand,” wil Presburg zeggen, maar hij beheerst zich, want Lode méént het en vertelt van de lust die hem somwijlen bevangt, de hele waereldse santekraem er aan te geven, (hij spreekt onwillekeurig Zeehane na) en in ’n klooster te vluchten, trappist te worden. Lode sluit half de ogen, ziet zich al in witte covele met ’n doodskop in de hand; Hamlet in monnikspij.

Zeehane lacht hoog en misprijzend. Onder het diner

93

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.